Ik kijk naar mezelf in de spiegel.
Tranen stromen voor de zoveelste keer langs mijn wangen.
Rode ogen staren me wanhopig aan.
Stemmen schreeuwen in mijn hoofd.
Een minuutje geleden was alles nog zo normaal.
Nu is het een grote nachtmerrie.
De stemmen in mijn hoofd schreeuwen harder.
Pijn, das het enige wat ik nog voel.
Dood, das het enige wat ik nog wil.
Ik ben schuldig, ik doe alles verkeerd.
De zwarte muren om me heen komen steeds dichterbij.
Ik zit opgesloten, in een donker diep zwart gat.
Ik ben degene die iedereen pijn doet.
Dus heb ik deze pijn die ik nu heb verdiend.
Het liefst zou ik mezelf nu willen snijden.
Thuis is er teveel ruzie.
Op school doet bijna niemand normaal.
Niemand heeft mij nodig, iedereen red zich wel zonder mij.
De vakantie wat begon als een geweldige rustige tijd.
Is heel snel omgeslagen naar een vreselijke nachtmerrie.
Pijn, verdriet, angst, ik voel het allemaal tegelijk.
Ik sta te dansen op het randje van de afgrond.
Te wachten totdat ik mijn evenwicht een keer verlies.
Niemand die mij er vandaan probeert te halen.
Bang dat ze der zelf in vallen.
Ik staar naar het meisje voor me in de spiegel.
Ik zie tranen langs haar wangen stromen.
Ik zie vreselijke pijn in haar vochtige blauwe ogen.
Ze weet geen uitweg meer te vinden.
Voelt zich alleen, en is kapot van verdriet.
Maar zodra er iemand voor der staat tovert ze weer een glimlach op der gezicht.
Niemand hoeft te weten hoe ze zich echt voelt.
Ze zoekt rust en geluk, maar ze vind het niet.
Ze zit vast in het zwarte donkere gat.
